Artikelen
Margarete van den Brink
Ons leven kent steeds opnieuw momenten waarin een nieuwe fase begint en een oude wordt losgelaten. Geboren worden is zo’n nieuwe fase, maar ook schoolkind worden, de puberteit ingaan, en het ouderlijk huis verlaten. Een patroon dat zich ook verder in het leven voortzet.
Van oudsher worden dit soort belangrijke overgangen binnen godsdienstige stromingen gemarkeerd door ‘wijdingen’. Wijdingen zijn speciale handelingen of ceremonieën. Zo bestaat er de wijdingsplechtigheid van de doop die kort na de geboorte plaatsvindt. Andere momenten zijn de heilige communie omstreeks het zesde, zevende jaar, de jeugdwijding rond het dertiende, veertiende, en de geloofsbelijdenis rond het achttiende jaar.
De gedachte achter deze handelingen of ceremonieën is dat de opgroeiende mens aan het begin van zo’n nieuwe fase of levensperiode de specifieke hulp en steun nodig heeft van de geestelijke wereld of van God. Immers alleen vanuit die bron kunnen hem of haar de krachten en inspiraties toestromen die voor de nieuwe fase nodig zijn. De wijdingen op de verschillende tijdstippen in het leven hebben tot doel steeds opnieuw de verbinding met de goddelijk-geestelijke wereld te leggen en te accentueren.
De wijdingen die ik hiervoor noemde zijn afkomstig uit het christelijke kerkelijke leven, zowel uit de protestantse als uit de rooms-katholieke hoek.
Het is interessant te weten dat men vele decennia geleden ook buiten kerkelijke kringen al het belang inzag van een jeugdwijding rond het 13e jaar. In het voormalige Oost-Duitsland (de DDR) bijvoorbeeld, ontstond in de loop van de 20e eeuw een soort ‘Jugendweihe’ die vooral populair werd in de vrijdenkers- en arbeidersbeweging. De grootste bloei beleefde deze jeugdwijding in de periode tussen de beide wereldoorlogen. Op feestelijke wijze werd de overgang van de 13- of 14-jarige van kindheid naar adolescentie – de jong-volwassenheid - gevierd. Vanaf de jaren vijftig werd deze wijding echter steeds meer een aangelegenheid van de staat. Dat hield in dat jongeren tijdens een ceremoniële plechtigheid de gelofte van trouw moesten afleggen aan de grondwet, aan de arbeiders- en boerenstaat én aan de vriendschap met de Sovjet-Unie. Daarna kregen ze cadeaus.
In plaats van met God of de geestelijke wereld was deze wijding er dus op gericht de jongere te verbinden met de aardse autoriteit van de (Oost-duitse) staat. Een duidelijk voorbeeld hoe daar de cultuur vermaterialiseerde.
In onze tijd bestaan dergelijke jeugdwijdingen nauwelijks meer. Toch is te verwachten dat met het wakker worden van
de geest in mensen in onze tijd opnieuw vormen zullen ontstaan die zich daar mee bezig houden. Nieuwe vormen omdat
mensen op speciale momenten in het leven, bewust, via bepaalde handelingen, verbinding zullen willen zoeken met de
wereld van de geest. Maar op een andere manier dan vroeger.
Een indrukwekkend voorbeeld daarvan kwam ik een tijdje geleden tegen op het internet.
Het vertelt over een gebeuren waarin jongeren van rond de dertien, veertien jaar, via hun school een ceremonie doormaakten waarin ze tot ridder werden benoemd in een speciaal voor hen ontworpen ridderorde. Het verhaal betreft leerlingen uit de zevende klas van een Amerikaanse Vrije School, de Green Meadow Waldorf School, in de staat New York. Initiator van dit plan was de klassenleraar van deze groep, meester Karl Schurman.
De ceremonie vond plaats op zaterdagochtend 2 december 2006. Degene die van deze gebeurtenis verslag doet, vertelt dat de kandidaten die ochtend om tien uur met hun familieleden en een paar leraren en leraressen klaar stonden bij de ingang van de St. John’s-in-the-Wilderness Church in Harriman Park. Gekleed in ridderlijke gewaden en kleuren: wit met zwart en rood, waren zij bereid door een ceremonie heen te gaan waarin lessen over de middeleeuwen werden gecombineerd met hun overgang van kindheid naar jong-volwassenheid.
Jongeren in deze transitiefase vragen om ervaringen en uitdagingen. Klassenleraar meester Schurman was zich die behoefte bewust en zag in deze ceremonie gelegenheid zijn leerlingen iets te laten beleven wat ze hun hele leven niet meer zouden vergeten.
Het ceremonieel voor de Order of the Pré Vert (Green Meadow) dat hij ontwierp, bracht met zich mee dat de jongeren zich in de eerste plaats innerlijk moesten voorbereiden. Ze werden gevraagd naar binnen te keren in de eigen ziel en daar aansluiting te zoeken bij iets heel wezenlijks van zichzelf. Zo zou het voor ieder van hen mogelijk worden – al was het maar voor een kort moment – een glimp op te vangen van wie hij of zij werkelijk is en wie ze kunnen worden.
Acht weken hadden de kandidaten de tijd om de eer te verdienen Ridder te worden van de Order of the Pré Vert. Naast het innerlijke werk dat ze moesten doen, hadden zij nog een aantal andere taken te verrichten. Om te beginnen moesten zij met elkaar een tekst formuleren waarop zij samen de eed zouden afleggen. Vervolgens moest ieder voor zich een devies ontwerpen en een eigen wapenrusting maken waarin dat devies tot uitdrukking kwam. Ook hadden ze de opdracht leerkrachten van de school te vragen sponsor van hen te worden. Tenslotte moesten ze thuis twee taken vervullen waar geen beloning tegenover stond.
In de weken voorafgaand aan de ceremonie werd er hard gewerkt. Om de juiste kleding en wapenschilden te kunnen maken moesten de leerlingen de betekenis leren kennen van de kleuren, de figuren en de metalen die in de riddertijd werden gebruikt. Het resultaat van al hun inspanning loog er niet om. Er ontstonden de mooiste kunstwerken. Het belangrijkst van alles was echter het zoeken naar en het formuleren van het persoonlijke devies. Dat zou immers vanaf het moment van hun ridderslag het leidende principe in hun leven worden.
De dag waarop het ridderceremonieel zou plaatsvinden was een zonnige dag. Een moeder van een van de kandidaten vertelt:
‘Toen we met hen de kerk binnengingen was het eerste dat opviel de prachtige wapenschilden die aan de muren hingen. De stemming die heerste was er een van eerbied, maar ook van verwachting en trots’.
Meester Schurman opende de ceremonie met een persoonlijke ervaring. Hij zei:
‘Gisteren vroeg een achtste-klasser mij waarom wij dit doen. Er waren immers geen ridders meer in de wereld en ook geen draken om te verslaan?’
Hij was het daar echter helemaal niet mee eens geweest. Als toelichting daarop en op het komende gebeuren las hij een citaat voor van iemand die hij zelf als een moderne ridder beschouwt: Karl König, stichter van de Camphill Gemeenschappen, een man die heel zijn leven wijdde in dienst van anderen:
‘Er is een ridderschap van de 21e eeuw waarvan de ridders niet, als in de middeleeuwen, door donkere bossen in het land rijden, maar door de donkere wouden die in de verduisterde zielen en gedachten van de mensen te vinden zijn.
Hun wapenrusting is niet van ijzer, maar geestelijk van aard. Een innerlijke zon maakt hen stralend. Er gaat genezing van hen uit. Genezing die voortkomt uit hun innerlijke bron en uit het besef dat in ieder mens op aarde de goddelijke geest leeft en te wekken is. Hun taak is het orde, rechtvaardigheid, vrede en vertrouwen te scheppen in de duisternis van onze tijd’.
Na deze woorden gingen de deuren van de kerk open en kwamen de kandidaten, begeleid door een lerares onder het geluid van roffelende trommels en klinkende cimbalen, binnen.
Bij het altaar stond meester Schurman. Hij wachtte hen op. De kandidaten verzamelden zich om hem heen en zongen een middeleeuws lied. Vervolgens legden zij gezamenlijk de eed af die zij met elkaar hadden geformuleerd:
‘Als een Ridder van de Order of the Pré Vert zal ik mijn uiterste best doen om
Door het vervullen van deze eed draag ik bij aan de eenheid van de Orde en help ik mijn medebroeders en zusters om Ridders te worden van de 21e eeuw’.
Het zal niemand verbazen dat er van dat moment af in de kerk geen droog oog meer te vinden was, en dat bleef zo gedurende de hele ceremonie.
Na de eedaflegging werden de kandidaten gezegend en gevraagd te gaan zitten. Vervolgens werd ieder van hen apart naar voren geroepen om zijn of haar persoonlijke devies uit te spreken en over het eigen wapenschild te spreken.
Een moeder vertelt: ‘En zo waren wij getuige van 22 zelfbewuste, moedige, broederlijke en zusterlijke ridders. Alleen, op zichzelf staand, met een vastberaden blik in de ogen, liet ieder van hen zien hoe diep deze ceremonie weerklank in hen vond. Hoe deze hen bemoedigd had hun beste kwaliteiten naar voren te brengen en de beste kwaliteiten van hun groepsgenoten bewust te worden en te benoemen. Dat alles werd verwoord met een zuiverheid en precisie die verbazingwekkend was, omdat zoiets meestal verborgen blijft bij jonge mensen van hun leeftijd’.
Enkele voorbeelden van de persoonlijke deviezen of levensmotieven die werden uitgesproken zijn
Vervolgens las meester Schurman voor wat belangrijke volwassenen over de betreffende kandidaat hadden geschreven. Daarna de uitspraken die klasgenoten hadden gedaan. Deze hadden van elke medecandidaat diens ridderlijke kwaliteiten moeten benoemen. Op die wijze getuigden zij van ‘de waarde van haar of zijn eer’.
Het was op dat moment voor het eerst dat de aspirant-ridders hoorden hoe hun klasgenoten over hen dachten en hen persoonlijk zien. Zij reageerden hier en daar geraakt, met een glimlach, een giechel of een traan.
Een van de moeders vertelde:
‘We waren als toehoorders en familie diep geraakt door wat de leerlingen over elkaar te zeggen hadden, hoe ze elkaar zagen en welke kwaliteiten zij het meest in de ander bewonderden. Iedere opsomming lieten zij in een climax eindigen door de zin: ‘…. maar het meest van alles …’
Toen was het tijd voor de sponsors om de kandidaten toe te spreken. Zij bleken hun taak goed voorbereid te hebben. Ze citeerden gedichten en gezegdes of spraken vrijuit over de leerlingen. Als ouders waren wij zeer onder de indruk van de helderheid van hun woorden en de wijze waarop deze volwassenen zich in onze kinderen hadden verdiept’.
Toen brak het grote moment aan: het ontvangen van de ridderslag. Een voor een knielden de aspirant ridders voor meester Schurman neer. Deze gebruikte voor dit ceremonieel een groot, mooi bewerkt zwaard. Daarmee raakte hij hun beide schouders aan. Vervolgens legde hij het zwaard op het hoofd – zoals de ridderlijke traditie verlangt.
Van dat moment af was hij of zij drager van de titel ‘Heer/Dame, Ridder van de Order of the Pré Vert’.
In plaats van een zwaard en sporen, zoals in de middeleeuwen gebruikelijk was, ontving ieder een boek met blanco bladzijden en de opdracht dit met hun leven te vullen en hun rechtmatige plaats in de wereld in te nemen.
Tot slot zongen de nieuwe Ridders van de 21e eeuw wederom een middeleeuws lied.
Daarop verlieten zij de kerk, samen met hun broeders en zusters in de Orde en hun trotse ouders en familieleden.
Dankzij het bijzondere initiatief van hun klassenleraar kwamen deze leerlingen op een belangrijk moment in hun leven in contact met ‘het ware, het schone en het goede’ dat in hun innerlijk leeft en dat door deze ceremonie werd opgewekt en versterkt.
Er had een echte wijding plaatsgevonden. De jonge mensen hadden iets ervaren van het hogere dat in ieder mens leeft en dat ons helpt waarlijk mens te worden.
Als Ridders van de Geest was het nu aan hen om hun plaats in de wereld in te nemen en hun eigen, specifieke bijdrage te schenken aan de vooruitgang van de mensheid en de wereld.
Bron: The Bulletin, December 18, 2006. Zie ook www.gmws.org